De illusie van een gesloten verdediging

doorMichel K.

Michel Kasimir leest achterstevoren 

 

    De verdediging, Vladimir Nabokov

Curt Von Bardeleben

Curt Von Bardeleben

Het verhaal gaat dat de excentrieke Duitse schaker Curt von Bardeleben in 1924 zichzelf van het leven beroofde door uit een raam van een Berlijns appartement te springen. Het tragische einde van von Bardeleben zal de destijds in Berlijn in ballingschap levende schrijver en schaakliefhebber Vladimir Nabokov ongetwijfeld ter ore zijn gekomen. In 1930 verscheen, onder zijn nom de plume V. Sirin, de roman De verdediging (Zasjtsjita Luzjina) waarin een wereldvreemde grootmeester in het schaken, genaamd Luzjin, een fataal Von Bardelebentje pleegt. Behalve het vallen uit ramen, vallen Luzhin en von Bardeleben ook ten prooi aan het trauma van een vernietigende zenuwslopende nederlaag, met littekens in de tere schaakgeest als blijvende herinneringen.

Von Bardeleben gold als een van de beste grootmeesters van het Duitse Keizerrijk.  Toch wordt hij niet in eerste instantie als een grootheid herinnerd. De herinnering aan von Bardeleben is altijd verbonden met een van de onsterfelijke partijen in de schaakgeschiedenis, een onsterfelijke nederlaag voor von Bardeleben. Deze partij staat bekend als “The Battle of Hastings”. De locatie was Hastings, het jaar was 1895, en de tegenstander was Wilhelm Steinitz. Een woeste witte toren walste zich een weg door de verdedigingslinie van het zwarte kamp. Von Bardeleben, de speler met de zwarte stukken, zag dat de aanval van wit niet meer te stoppen was. Legendarisch is vervolgens het weglopen van von Bardeleben uit de zaal op het moment surprême van de partij. Volgens Tim Krabbé deed Von Bardeleben dit uit protest tegen het rumoerige applaus voor de andere winnaars in de zaal (Een Fischer walkout avant la lettre), dit in tegenstelling tot de notie dat von Bardeleben de aanstaande nederlaag niet kon verkroppen. Hoe dan ook, von Bardeleben verloor op tijd. De rest van het toernooi was voor von Bardeleben een lijdensweg.

Wederom Krabbé in 2004 over von Bardeleben: “De Berlijner Kurt Von Bardeleben (1861-1924), jurist maar vooral schaker en schaakschrijver, wordt beschreven als breekbaar, teruggetrokken, gevoelig, en ongezond; te zacht voor het harde toernooileven. Hij pleegde zelfmoord door uit een raam te springen. Maar behalve door zijn onsterfelijke verliespartij leeft hij juist daardoor voort; Nabokov schonk die sprong aan zijn grootmeester Luzhin, de treurige held van zijn roman De Verdediging.”

In De verdediging wordt een monsterlijke partij in een kandidatenmatch Luzjin ook te machtig. De partij tegen zijn grote rivaal Turati wordt weliswaar afgebroken, maar grote ontreddering en verwarring treft Luzjin; De partij en de match wordt nooit meer voortgezet. Een zenuwinzinking volgt en als het weer iets beter met hem lijkt te gaan, begint Luzjin overal om hem heen, en dwars door de tijd, patronen, herhalingen en variaties te zien zoals in een zeer gecompliceerde en verheven vorm van blindschaak. Het is een strijd die hij nooit kan winnen, maar die ook nog eens nooit lijkt op te houden. Zijn uitgekiende metafysische ‘verdediging’ wordt systematisch ontrafeld door zijn onzichtbare tegenstander; Deze kwelduivel van een hogere denkorde eist het hoofd van Luzjin, met ‘zelf-mat’ (zoals Nabokov de zelfmoord in zijn latere voorwoord voor De verdediging omschreef) als de laatste onvermijdelijke zet volgens de bizarre logica in het hoofd van Luzjin .

Fragment uit De Verdediging (pagina 137, uitgave De Bezige Bij, 1967) over de finale momenten van de afgebroken partij tegen Turati:

“Luzjin bereidde een aanval voor, maar moest eerst een doolhof van varianten verkennen, waarin elk van zijn stappen een gevaarlijk echo wekte, en begon langdurig te peinzen: het leek alsof hij zich nog één laatste, kolossale inspanning moest getroosten – dan zou hij de geheime zet vinden die leidde naar de overwinning. Plotseling gebeurde er iets buiten zijn wezen, een verzengende pijn – hij stootte een luide kreet uit, schudde zijn hand die hij had gebrand aan de vlam van een lucifer, aangestoken en vergeten tegen zijn sigaret te houden. De pijn verdween direct, maar in de gloeiende gaping had hij iets ondraaglijks verschrikkelijks gezien, de afgrijselijke, onpeilbare afgronden van het schaken.”

De verdediging uitgave De Bezige Bij 1967

Nabokov schrijft over mensen als ware ze schaakstukken. Zo is mevrouw Luzjin een belangrijke tot dame gepromoveerde pion. Onduidelijk blijft echter van welke kleur ze is. In al haar moederlijke toewijding om Luzjin te bewegen tot activiteiten buiten de in haar ogen ongezonde praktijk van het schaken, bespoedigt ze, zonder het zelf door te hebben, zijn ondergang. Luzjin wordt een clandestiene schaker in zijn eigen hoofd, de enige plek waar hij zich nog kan bergen om na te denken over de volgende zet, terwijl mevrouw Luzjin vergeefs probeert een conversatie op gang te brengen over politieke aangelegenheden, in de waan dat hij zich er voor zou interesseren. Luzjin senior, de vader, is een schaakstuk dat al in de opening wordt geofferd. Een stuk die in de weg staat van de ontwikkeling, en met sardonisch genoegen door Nabokov beschreven, een stuk dat van zichzelf denkt een raadsheer te zijn, maar in werkelijkheid een pion is geblokkeerd door een ander stuk (zijn zoon). En dan is er nog de grootmeester Turati, de toren. De stormram die door de ommuurde verdedigingslinie van Luzjin breekt. De naam Turati moet wel een nabokoviaanse samenstelling zijn. ‘Tura’ uit het Roemeens, of het Franse ‘tour’, betekent ‘toren’, in combinatie met de naam van de beroemde Italiaanse grootmeester Ricard Réti. Tura + Reti = Turati. Een plausibele theorie, want Turati wordt in De verdediging omschreven als een gedurfd schaker die graag vanaf de flanken de aanval op het centrum inzet. Laat het nu zo zijn dat Réti een beproefde opening op zijn naam heeft staan die tot de flankspelen wordt gerekend!

De compositie van De verdediging heeft wel iets weg van een schaakpartij. Het begint met een gesloten beklemmende tsaristische opening. Onverwachte wendingen leidden tot een Italiaans middenspel. De horizon wordt breder. Nieuwe perspectieven doemen op. Liefde. Maar ook toenemende complicaties. Twijfels die leidden tot wanhoop. Het Berlijnse eindspel dat volgt is er een met een in het nauw gedreven paard, dat natuurlijk gekke sprongen maakt. Het eindigt dus met zelf-mat.

Het paard in het eindspel is vanzelfsprekend Luzjin. Maar zijn rol blijft ongrijpbaar. Hij is als een verdwaald schaakstuk. Per ongeluk beland op een ander schaakbord.  Nabokov koos de naam Luzjin voor zijn hoofdpersonage, omdat Luzjin rijmt op het Engelse illusion, oftewel illusie. In veel van zijn eigenaardigheden doet Luzjin denken aan een joker, een kaart die in het schaakspel niet kan worden uitgespeeld. Luzjin is in een wezen een komisch figuur. Hij stuntelt en blundert zich weg door het leven, en eigenaardig, hij blijft toch redelijk op de been. Voor iemand die niet eens het adres van zijn eigen woning in Berlijn weet, redt hij zich toch nog aardig. Maar dat is niet iets waarvan Luzjin zichzelf bewust is. En daarin schuilt de tragikomische kant van Luzjin. Bijna geen besef van zichzelf en een illusionair beeld van de werkelijkheid om heen. Dat het leven een worsteling is, dringt enigszins door tot Luzjin, maar hij kan het alleen begrijpen door het te vertalen in de taal van het schaken.

Schets voor een schaakprobleem van de hand van Vladimir Nabokov

Schets voor een schaakprobleem van de hand van Vladimir Nabokov

Taalmeester Nabokov beheerste de taal van het schaken als geen ander. Zo componeerde hij tal van ingenieuze schaakproblemen. Een idee voor een specifiek soort schaakprobleem verwerkte hij in De verdediging. Nabokov omschreef het probleem als een ‘omgekeerde analyse’, waarbij de oplosser gevraagd wordt te bewijzen, aan de hand van een bestudering van een stelling, dat zwart’s laatste zet niet een rokade kan zijn geweest, of wel het en passant slaan van een witte pion. Precies het soort duizelingwekkende probleem waarin Luzjin zich zou kunnen verliezen. Geen wonder dat schakers uit ramen springen. Schaken is inderdaad een ongezonde bezigheid.