Time heeft ‘de demonstrant’ uitgeroepen als persoon van het jaar 2011. Een interessante keuze waar veel voor te zeggen is. Van het Tahrirplein in Caïro tot het Beursplein in Amsterdam, in 2011 was het bijna onmogelijk de leuzen roepende medemens te ontwijken. Toch was 2011 vooral het jaar van een ander fenomeen, de definitieve doorbraak van de zombie-cultus in de massacultuur. 2011 was het jaar waarin de zogenaamde ‘zombie walks’ zeer populair werden. Duizenden veelal volwassen mensen, besmeurd met nepbloed, en doodse grimassen trekkend, liepen en masse, in een soort macabere trance, door de straten van menig Westerse stad. Ook in Amsterdam vonden eerder dit jaar zombie-optochten plaats. De optocht die dit jaar het meest in het oog sprong, was echter die in Mexico Stad. Maar liefst 9860 levende doden namen daar deel aan de optocht, een Guinness-record.
De meeste deelnemers zien het meedoen vooral als een lolletje, zoals 2011 ook het jaar was van menig gehypt lolletje, maar toch is er ook een onderliggende serieuze symboliek. Zoals ook het carnaval een symbolische functie heeft van het op de hak nemen van maatschappelijke tegenstellingen en taboes, kenmerkt de zombie-subcultuur zich door een, zij het ludiek, maar onmiskenbaar sterk anti-autoritair sentiment. Daarnaast denk ik dat mensen in toenemende mate gewaar worden dat het leven in een consumptiemaatschappij verrassend veel weg heeft van een gezombificeerde maatschappij. Zijn wij niet zombies als we ‘s-ochtends vroeg massaal in de file staan om naar het werk te gaan? Als we hutje mutje achter elkaar aan sjokken in warenhuizen als het weer kerst wordt? Zombies zijn als het ware ‘geprogrammeerd’ om mensenvlees te consumeren. Hersenloos. Geen reflectie. Zijn wij in zekere zin ook geen zombies geworden, geprogrammeerd om te consumeren? Wellicht een interessant gespreksonderwerp tijdens het kerstdiner in de donkere dagen van het Jaar van de Zombie.
We schrijven 1973. Een nieuwe plaat van Lou Reed komt uit. Berlin. De eerste recensies waren allesbehalve lovend. Sterker nog, de plaat werd door sommige recensenten bijkans bij het oud vuil gezet. Een citaat uit de recensie in Rolling Stone: “There are certain records that are so patently offensive that one wishes to take some kind of physical vengeance on the artists that perpetrate them. Reed’s only excuse for this kind of performance … can only be that this was his last shot at a once -promising career.“ Lou Reed zou na Berlin nog vele platen maken, de ene beter dan de andere, maar zijn carrière was allesbehalve besloten met Berlin zoals de recensie suggereerde. Ik sta niet alleen in mijn oordeel dat Berlin een van de beste platen is van Reed, een van de beste platen van de jaren’70, een inspiratiebron voor menig muzikant, een klassieker.
Terug naar 2011. Lou Reed brengt een nieuwe plaat uit. Een collaboratie met Metallica. De plaat heet Lulu. En de geschiedenis lijkt zich te herhalen. Het recensentendom is vrijwel eensgezind in hun vernietigende oordeel: Lulu is lachwekkend, humorloos, beschamend, lelijk, oppervlakkig, een ijdel hobbyproject van arrogante oude knarren, een rampzalige combinatie van botsende stijlen, een plaat die thuis hoort in het canon van spectaculaire muzikale flops.
Recensent Jan Vollaard van de NRC maakt het al helemaal bont: “Lulu verdient een plaats in het Guinness Book of Records als het slechtste rockalbum ooit.” Tja. Daar gaat Vollaard al gelijk de mist van in. Want Lulu is geen rockalbum. Is Lulu een plaat in de traditie van klassieke rockalbums als Exile on Main Street, Led Zeppelin IV of voor mijn part de debuutplaat van Van Halen? Neen. Als Vollaard zich echt zou hebben ingespannen om Lulu te doorgronden, had hij toch tot de conclusie moeten komen dat Lulu geen exercitie is in spierballenrock of metal machine music, ook al verzorgt de ultieme metalband Metallica de muzikale omlijsting.
Een plaat als Reed’s eigen Berlin is mijns inziens een veel beter referentiepunt, een album die ik ook niet zou karakteriseren als ‘rock’. Lou Reed kan zeker rocken als het nodig is, maar zijn insteek is vaak een andere. Reed is een verteller van korte verhalen gemaskeerd als liedjes. Berlin is in zekere zin meer een muzikale novelle dan een rockalbum. Met Lulu tracht hij eveneens een verhaal te vertellen. Deze keer betreft het echter niet een verhaal van eigen hand, maar een interpretatie van de toneelstukken van Frank Wedekind over de danseres Lulu en haar sexuele escapades, waarbij Wedekind niet schuwde de donkere kanten van sexualiteit over het voetlicht te brengen. Reed neemt als Lulu ook bepaald geen blad voor de mond. Luisteren naar Lulu is als het lezen van een decadente roman ten tijde van het fin de siècle. Het is niet voor iedereen, dat is zeker. De obsessie met geweld, de aanbidding van het irrationele, de perversiteit, de verwording, de alom aanwezige dood. Je houdt ervan, of je rent walgend de kamer uit. De redactie van Crepuscult lust er echter wel pap van!
Waarmee ik overigens niet de indruk wel wekken dat Lulu een en al grand guignol exces is. Lulu gaat ook over wanhoop, frustratie, angst. Het album is vol van ’dread’. Een track heet dan ook toepasselijk Misstress Dread. Deze duistere spanning wordt voortreffelijk vastgehouden door Lou Reed en de mannen van Metallica tot aan het laatste nummer, Junior Dad, het moment dat de spanning wegzakt en zowaar een ‘state of grace’ wordt bezongen in een verrassend weelderig muzikaal warm bad.
Lulu is dus net zo goed een spoken words-album als een rockplaat. Niet een plaat die je wil opzetten om te headbangen. Metallica schroeft zo nu en dan vertrouwd het volume en het tempo op, maar nimmer heb je het gevoel te luisteren naar metalmuziek. Gitaarsolo’s zijn nauwelijks te horen. Metallica stelt zich nadrukkelijk bescheiden op als begeleidingsband van Lou Reed. Iets wat fans van Metallica allicht moeilijk kunnen behappen. En menige recensent die geen kaas kan maken van deze ongebruikelijke muzikale kruisbestuiving. Het bevreemdt me dat niet meer mensen enthousiast worden van het horen van de roestige stem van Reed tegen een achtergrond van metalige klanken. Wat in mijn oren klinkt als een verrassende opwindende en fascinerende muzikale onderneming van gearriveerde muzikanten die hun nek durven uit te steken. Maar oordeelt u zelf! Listen without prejudice, om George Michael maar eens aan te halen. Echt, Lulu is niet de slechtste plaat ooit. Neem dat toch maar van mij aan. Ik luister er juist met veel plezier naar, hoe gek dat ook klinkt. U ook?
Stel je een andere wereld voor, een schijnbaar beschaafd land dat verdacht veel op de onze lijkt, Nederlandia, waarin een minister zonder blikken of blozen zou kunnen verklaren dat een ambtenaar van de burgerlijke stand het recht heeft de taak van het sluiten van een huwelijk tussen twee heterosexuelen te weigeren. Uiteraard uit respect voor de private religieuze overtuigingen van de homosexuele ambtenaren in kwestie. De minister Marja Verbijstervelt hierover: “Dat vind ik eigenlijk gewoon wel passen bij Nederlandia, die tolerantie en ruimte voor pluriformiteit.” Ruimte voor pluriformiteit en tolerantie, prachtig. Ten slotte mag ook binnen de tolerante overheid, het geluid van heterofobie gehoord en gerespecteerd worden!
In Nederlandia is toevallig ook een Volkspartij voor Vrijheid en Democratie een coalitiepartner. De premier van VVD-huize besluit zijn minister terug te fluiten. Foei, Marja! Eind goed al goed…
Heeft u ook zo’n hekel aan het lied Musicvan John Miles? U weet wel, het protserige popmusical nummer dat begint met de ietwat potsierlijke verklaring: Music was my first love / And it wil be my last. Jakkes. Maar toch… Toch moet ik bekennen dat het sentiment van Music mij niet vreemd is. Leven zonder muziek. Het is niet voor te stellen. Precies zoals John Miles het bezingt. Een rijkdom aan muziek, van Bach tot Belle & Sebastian, geeft mijn leven onmiskenbaar cachet. Meer dan dat zelfs. De muziek waar ik graag naar luister en luisterde, is de compilatie van de soundtrack van mijn leven. Vertel me welke muziek u mooi vind, en ik vertel u wie u bent. Psychologie van de koude grond wellicht, maar als ik voor mijzelf spreek, weet ik dat het zo is. Muziek maakt me vrolijk, geeft me troost en energie, laat me in ontzag achter, of brengt mij tot tranen, van verdriet of ontroering.
De afgelopen maanden waren niet de beste maanden in mijn leven. Ik voelde mij bij tijd en wijle ongelukkiger dan het somberste personage uit de somberste Ingmar Bergman film denkbaar. Dit klinkt enigszins gratuit, maar het was echt zo. Althans zo voelde ik me. Een van de meest voelbare effecten van deze somberheid, was dat ik bepaalde muziek niet meer kon aanhoren. Dierbare muziek die mij opeens koud liet. Muziek waardoor ik me zelfs slecht ging voelen. Een akelige gewaarwording. In de aanloop naar de zwartste periode – een depressieve episode - luisterde ik vrijwel uitsluitend naar muziek waarin ik mijn wanhoop hoorde resoneren. Grafmuziek in de oren van velen. Voor mij was het muziek waarin ik herkenning en zelfs erkenning vond. Dat het leven geen pretje is. En dat je niet alleen bent in dat gevoelen. In die benauwende kelder van mijn geest, blaast Johnny Lydon en zijn onvolprezen band Public Image Limited uit de speakers. P.I.L. What’s in a name. Lydon’s nihilistische sneren over het démasque dat het leven soms is, hadden (tijdelijk) een zalvende uitwerking op mijn gemoed. Een pleister op de wonde door, gek genoeg, de wonde van het leven uit te schreeuwen. Is this living?
En toen kwam het zelfs zover dat ook PIL niet meer werkte, omdat ik vrijwel geen geluid meer kon verdragen. Het opdringende geluid van de voortrazende wereld achter permanent gesloten gordijnen. Schelle, schrille stemmen op straat. De bonkende bassen van tot boem-boem disco’s omgetoverde auto’s. De straatmuzikanten bij mij op de stoep, in mijn beleving speciaal ingehuurd om mij urenlang te martelen met smartelijke muziek. Binnenskamers de huiver en terreur als de telefoon hardvochtig rinkelde. Pas tot ik mij terugvond in een kamertje in een kliniek merkte ik dat het gekwetter van vogels mij vertederde, dat ik toch nog kon genieten van geluiden, zij het nog niet van geluiden die evocaties zijn van menselijke emoties. Het voorzichtig kunnen genieten van muziek heeft nog enige tijd nodig gehad. Maar gelukkig begon ik geleidelijk weer te genieten van muziek, naarmate mijn herstel langzaam maar zeker inzette. Nu ik eindelijk weer in staat ben te schrijven voor dit weblog, geniet ik ook weer volop van muziek. Een groot onuitsprekelijk genoegen.
Morton Feldman
En het mooiste van deze revival is nog dat ik zelfs in staat ben te genieten van nieuwe muzikale ontdekkingen. Iets wat ik enige maanden geleden niet voor mogelijk had gehouden. Nooit gedacht weer muziek te ontdekken die mij positief zou verrassen, nieuwsgierig maken, zelfs inspireren. Die inspiratie is momenteel de muziek van Morton Feldman. Het is moeilijk te omschrijven waarom deze muziek mij raakt. Het gezang van vogels is niet met het palet van menselijke emoties te beschrijven. Hetzelfde gaat op voor de impact van de muziek van Feldman. Zijn stilte-composities ademen geen vreugde, woede, euforie, verlangen, etc. De muziek ademt louter leven. De benaderingswijze van Feldman is als een schilder die laagje voor laagje, penseelstreek voor penseelstreek, een tot leven komende abstractie schildert. Niet voor niets wordt Feldman geassocieerd met vertegenwoordigers van het abstract expressionisme als Jackson Pollock, Philip Guston en Mark Rothko. Voor Guston componeerde Feldman het opus For Philip Guston. En Rothko was de inspiratie voor Rothko Chapel.
Ik beheers mij nu in mijn enthousiasme meer te vertellen over Morton Feldman. Ik raad u vooral aan naar deze muziek te luisteren. Wellicht ervaart u dan wat ik bedoel te verwoorden. Wel nog dit. Over de impact van muziek: Het ervaren van het String Quartet (1979) dit paasweekend, was alsof ik de fabelachtige stargate sequentie uit Stanley Kubrick’s film 2001: A Space Oddyssey beleefde, een auditieve louterende tocht door de sterrenpoort, maar dan in een weldadig rustig wandeltempo. Hoorbaar in de muziek is het onzegbare.
En oh John Miles, mocht je mij opsporen via google…Vergeef mij voor de laatdunkende uithalen in de inleiding! Jouw muziek vind ik niet mooi. Maar je hebt gelijk. In this world of trouble, (my) music pulls me through.
De woestijn is sinds een aantal dagen leger en stiller dan voorheen. Don van Vliet is dood. Als de woestijn zou kunnen spreken, zingen, zou de echo in de verte ongetwijfeld doen denken aan een replica van de rauwe spook stem van Don van Vliet, de kapitein zonder boot, een schipbreukeling in de woestijn, Captain Beefheart. Van Vliet hield eigenlijk niet van de woestijn, maar toch kwam hij er steeds terug. Om er weer weg te kunnen gaan.
Een In Memoriam mijnerzijds is overbodig eigenlijk. Talrijke media memoreren de getalenteerde en ongrijpbare vrije vogel Don van Vliet immers al met keurige biografietjes, het ophalen van persoonlijke herinneringen, en niet te vergeten met ontelbare kleurrijke anekdoten. Toch kan ik het niet laten hier ook mijn hoed af te nemen voor Don Vliet. In deze tijden van onthoedeling bleef Van Vliet trouw aan de hoed. In een tv-interview beweerde hij eens nooit zijn hoed af te nemen, behalve onder de douche en bij het scheren. Een hoed stond Don Vliet altijd goed. Het tiende gebod voor het spelen van gitaar volgens Don van Vliet luidt als volgt: You gotta have a hood for your engine. Keep that hat on. A hat is a pressure cooker. If you have a roof on your house, the hot air can’t escape. Even a lima bean has to have a piece of wet paper around it to make it grow. Het leest als een verklaring van principe. De hoed als muze. De mooiste foto van Don van Vliet met zijn hoed is in zekere zin niet karakteristiek. Voor een keer neemt hij zijn hoed af. Het is de foto van Anton Corbijn, die de hoes van zijn laatste Captain Beefheart plaat Ice Cream for Crow siert. Zelden heb ik een man bloter gezien. En nimmer vergeet ik Don van Vliet en zijn hoed.
W.F. Hermans op de rommelmarkt van Montreuil, 14 mei 1977. Foto Piet Schreuders
Willem Frederik Hermans hield er twee bevallige maitresses op na, twee wonderlijke wezens waarover hij met liefde heeft geschreven: de kat en met een licht streepje voor, de schrijfmachine. De liefste machine ooit uitgevonden. Onder deze toepasselijke titel, ontleend aan een passage in de roman Uit Talloos veel miljoenen, werd in 1996 de collectie schrijfmachines van Hermans tentoongesteld. Hermans had zich over de machines ontfermd, hen gered van het armzalige lot roestig te moeten weg kwijnen op vlooienmarkten in verregende steden als Brussel en Parijs. Hij nam ze op in een harem van schrijfmachines, ongeveer 160 genotsmachines in totaal. Zoals dat vaak gaat in een harem, draaiden de rollen om toen de behaagzieke schrijfmachines begonnen te zeuren tegen de schepper van het sadistische universum. Het ging zelfs zover dat Hermans stemmetje begon te horen: “Ik, ik, ik, ik ook ‘ns een meesterwerk schrijven! Dan krijg ik gewetensbezwaren. Het liefst schrijf ik op al mijn schrijfmachines tegelijk.”(interview met WFH, Trouw 6 februari 1993).
In hetzelfde interview waarin hij bovenstaande onthulling deed, verklapte Hermans dat hij graag eens een boek wilde schrijven met de titel ‘De genetica van de Schrijfmachine.’ Een geschiedenis van de schrijfmachine vanuit een darwinistisch oogpunt. De machine als organisme. Een interessante benadering die in de film Naked Lunch resoneert. Deze film is losje gebaseerd op het leven van junkie/schrijver William S. Burroughs en zijn cultroman Naked Lunch. Een natte droom van een film voor avontuurlijk ingestelde schrijfmachine-fanaten. In Naked Lunch verzeilt een schrijver, genaamd Bill Lee, in de Interzone, een plaats waar waan en werkelijkheid door elkaar heen lopen. Daar waar schrijfmachines muteren in insectoïde verschijningsvormen, en zelfs erotische organen ontwikkelen. Voor de ware liefhebber dus! Onvergetelijk is de scene waarin de Clark-Nova schrijfmachine van Bill Lee, de Martinelli typemachine van een rivaliserende schrijver vermoordt. De scene illustreert hoe schrijver en schrijfmachine partners in crime kunnen worden, een subversieve alliantie in Burroughs’ nachtmerrieachtige verbeelding. De namen van de schrijfmachines in Naked Lunch klinken als een klok, en lange tijd nam ik dan ook aan dat de Clark-Nova (“It has mythic resonance“), de Martinelli en de Krupp Dominator (voor al uw sado-masochistisch typewerk) daadwerkelijk bestonden, tot ik er onlangs achter kwam dat deze namen uit de duim zijn gezogen! Overigens heeft Burroughs het manuscript van Naked Lunch niet zelf getypt, maar hij heeft dat laten doen door een ghost typist, ene Jack Kerouac. Dezelfde schrijver die zijn Beat klassieker On the Road typte op een ellenlange rol papier. Ideaal om maar door te blijven typen, uren achter elkaar, vooral als de stream-of-consciousness koorts je te pakken heeft.
De typemachine waarop Kerouac On the Road uittypte
De Olympia schrijfmachine van Paul Auster
In juli 1974 keerde Paul Auster terug in New York na een verblijf in Europa. Bij het uitpakken van zijn baggage, ontdekt hij dat zijn Hermes schrijfmachine de vlucht niet had overleefd, onherstelbaar beschadigd. Zoals dat gaat volgens de Austeriaanse wetten van het toeval markeerde dit droeve incident het begin van een herboren schrijversleven. Mr. Coincidence kon zich geen nieuwe schrijfmachine veroorloven, want hij had geen cent meer. De droom van een glorieuze schrijverscarriere leek verder weg dan ooit. Enige dagen later ontmoette hij een vriend op een feestje. Deze vriend verkocht Auster tegen een vriendenprijsje een Olympia schrijfmachine. Iedere woord dat Auster sinds 1974 heeft geschreven, is getypt op die ene onverwoestbare Olympia. Auster heeft uiteindelijk een boekje geschreven over de bijzondere relatie met zijn schrijfmachine: The Story of my Typewriter. De Olympia inspireerde de kunstenaar Sam Messer. De eerste blik op de schrijfmachine was als liefde op het eerste gezicht. Met talloze schilderijen, tekeningen en foto’s waarop de Olympia is vereeuwigd als resultaat. Meegesleept door het enthousiasme van zijn kunstbroeder begon Auster zich te realiseren dat zijn schrijfmachine meer was dan een machine. De Olympia werd een persoonlijkheid. Een machine met verlangens en stemmingen. De beste vriend van homo scriptorus.
Sommige platen zijn mij zo dierbaar dat ik ze zelden beluister. Het heeft alles van doen met Magic and Loss (dank U, Lou Reed). Deze platen geven mij het gevoel dat ze speciaal voor mij zijn gemaakt. Dat is de magie. De betovering wordt verbroken zodra deze desert islands discs onderdeel worden van de soundtrack van alledag. Maar altijd kan ik mij tot hen wenden op die momenten dat ik troost behoef. Zo kon ik het vandaag niet laten Music for a new Society van John Cale weer eens op te zetten. Ook deze plaat is als een goede vriend, bij wie je altijd kan aankloppen, als de vertwijfeling toeslaat, en hij laat je altijd binnen.
Deze ‘muziek voor een nieuwe samenleving’ is allesbehalve sentimenteel. De toekomstige samenleving waarvoor deze suite is geschreven kan niet anders zijn dan een verdoemde samenleving: vervreemding, isolement, eenzaamheid, waanzin, woede, verdriet, zelfmoord en depressie; De doemenis is overal, het verspreidt zich – van Istanbul tot Phnom-Penh – geen ontsnappen aan… Of misschien toch ook niet? All so that it would be a stronger world, A strong though loving world to die in…
Met dit statement besluit John Cale het huiveringwekkende “Sanities”. John Cale leidt ons binnen in een introspectieve wereld van wanhoop. Hij legt de scars of imagination bloot, zoals hij fraai verwoordt in “The Thoughtless Kind”. En dat doet hij op een sublieme wijze. Deze muziek verklankt de ervaring van depressie, maar is allesbehalve deprimerend.
Op platen als Fear, Helen of Troy en Honi Soit verkende Cale al eerder de duistere krochten van een geestesleven getekend door wanhoop en zelfdestructie, in een muzikale stijl die te omschrijven is als een catharsis van dissonante tegentonen en primal screams die door merg en been gaan. Het contrast met Music for a new Society kan nauwelijks groter. Ondanks de loodzware thematiek is het muzikale arrangement sober en elegant te noemen. Dromerige keyboards. De verstilde klanken brengen mij in een witte mist. Een mist van troost. Het omarmt me. Hier en daar dringen geluidsflarden door van de buitenwereld. Het onbarmhartige tikken van een metronoom. Een doedelzak in de verte. Een melodisch citaat van “Alle menschen werden Brüder” in “Damn Life”: een stroke of genius. En dan is er nog de stem van Cale. Hij heeft een stem die vol mededogen zingt over de meedogenloosheid van het leven. De stem van een vriend.
De plaat bevat eveneens een bewerking van Cale’s eigen “(I keep a) Close watch”. Een wonderschoon lied over liefdesverdriet: pijnlijk, herkenbaar en ontroerend. Het was de wens van John Cale dat Frank Sinatra deze torch song eens zou vertolken, maar helaas is Sinatra’s versie alleen te beluisteren in een parallel universum, een moreloving world.
I still hear your voice at night
When I turn out the light
And try to settle down
But there’s nothing much I can do
Because I can’t live without you
Any way at all
(Close Watch)
Naschrift:
Deze wereld is een onrechtvaardige, want de cd Music for a new Society is al jaren niet meer ‘nieuw’ verkrijgbaar in de winkel. Zelfs niet op Amazon. Zo dreigt dit meesterwerk in de vergetelheid te raken, en dat is waarlijk zonde.
Een ELK al 22 jaar gezocht door de KOD (Een Erg Lief Kind Overigens)
Als klein kind zat ik aan de radio gekluisterd wanneer het nieuwsbulletin van het Dorrestijns Persagentschap (DPA) werd uitgezonden door de VPRO. Vooral de huiveringwekkende berichten over de praktijken van de Kinder Opruimingsdienst (beter bekend als de KOD) fascineerden mij mateloos. Ik griezelde bij het bericht over de ingebruikname van een kraakinstallatie te Amersfoort om het probleem van ELK’s (Erg lastige Kinderen) op te lossen. De kinderverwerkingsmachine werd feestelijk in werking gesteld door koningin Beatrix die haar Erg Lastige Kind Willem-Alexander als eerste mocht opofferen aan de machine. En nieuwslezer Hans Dorrestijn voegde daar nog fijntjes aan toe dat de kraakmachine een capaciteit had van maar liefst 200 ELK’s per uur!
Gene Wilder als Willy Wonka
Een vergelijkbare GVR-ervaring (Genot Vrees Rillingen) had ik enige jaren daarvoor bij het zien van de film Willy Wonka and the Chocolate Factory (1971). Deze rolprent staat op de shortlist voor de engste kinderfilm die ik ooit gezien heb (andere nominaties zijn onder meer Sneeuwwitje, The Witches en de zeer verontrustende Michael Jackson Peter Pan-fantasiefilm Moonwalker). Vergeleken bij de excentrieke wrede methoden waarop Willy Wonka met de verwende ELK’s in de film afrekent, verbleken slasher-iconen als Michael Myers en Jason (Friday the 13th) tot koorknaapjes met een tamelijk onschuldige preoccupatie met keukenmessen. Ga maar na: Augustus Gloop valt in een chocoladerivier om vervolgens door een pijpleiding te worden gezogen. Violet Beauregard verandert in een levensgrote menselijke bosbes na het kauwen van een maaltijdkauwgum. Veruca Salt verdwijnt in een afvalgat van rotte ganzeneieren. En Mike Teavee belandt in de taffy-pulling machine na gekrompen te zijn tot een miniatuur jongetje, omdat hij zo stom was de wonderbaarlijke Wonkavision apparatuur, waarmee objecten naar een tv kunnen worden gezonden, op zichzelf uit te proberen. Al deze ‘ongelukjes’ zijn overduidelijk virtuoos georkestreerd door diabolo Willy Wonka. “Adieu, Adieu. Parting is such sweet sorry” zegt Wonka met een onmiskenbaar sadistisch gevoel voor understatement als Mike Teavee (en zijn hysterische moeder) wordt afgevoerd. Adieu, mes enfants terribles.
Wonka hield dus helemaal niet van kinderen, hij haatte ze! Het besef dat er mensen zouden bestaan die kinderen zulke afschuwelijke dingen zouden willen aandoen, kon ik moeilijk bevatten op die jonge leeftijd. Wat ik toen natuurlijk nog niet kon weten, maar waar ik pas veel later ben achtergekomen, is dat er rijke traditie bestaat van films waarin kinderen worden afgeschilderd als kleine monsters of waarin wordt ingespeeld op angsten voor kinderen die bij veel volwassenen schijnen te leven. In het Engelse taalgebruik wordt deze fobie ook wel aangeduid als pedophobia. Zowel voor de ELK’s alsmede bezorgde ouders en cinefiele kinderhaters onder mijn lezersschare volgt hieronder een bescheiden introductie tot de ‘Erg Lastige Kinderen’ niche in het fobierijke horrorgenre (de glorietijd van dit subgenre beslaat ongeveer de periode 1960-1980).
Village of the Damned
Engeland is van oudsher het gevangeniseiland van Europa waar veel ELK’s in splendid isolation worden gehouden, en daar heeft de ELK paranoia dan ook flink toegeslagen. Begin jaren ’60 was de ELK paranoia in Engeland op zijn hoogtepunt getuige twee klassieke ELK chillers die in deze periode kort na elkaar uitkwamen: Village of the Damned (1960) en The Innocents (1961). In Village of the Damned wordt het dorpje Midwich geterroriseerd door enge blonde kindertjes met penetrerende gloeiende ogen die de gedachten van volwassenen kunnen lezen en het mag duidelijk dat ze bepaald geen vriendelijke intenties hebben. Een van de engste ELK’s in The Village of the Damned wordt gespeeld door Martin Stephens die eveneens de kijker de stuipen op het lijf jaagt in de superieure The Innocents. Als u een zwak heeft voor atmosferische horror van verfijnde Engelse snit kan ik u The Innocents van harte aanbevelen. Een gouvernante wordt langzaam tot waanzin gedreven door de twee kinderen die ze onder haar hoede heeft gekregen in een afgelegen gothic landhuis waar de schaduwen angst aanjagen en de klok tikt op de maat van hartkloppingen. En dan zijn er nog die ‘onschuldige kinderen’. Zijn zij daadwerkelijk onschuldig? Oordeelt u zelf. Trek de gordijnen dicht als de wind om uw huis huilt op een uitzonderlijk gloomy herfstavond, sluit de kinderen voor de zekerheid op in de kelder, en kijk naar The Innocents als u durft.
Van Lord of the Flies (1963) leren we dat ELK’s, eenmaal gestrand op een onbewoond eiland, ook tegenover elkaar erg lastig en gemeen kunnen zijn, wat best een geruststellende gedachte is. In de loop van de jaren’60 maakten de ELK’s de grote oversteek naar de andere kant van de oceaan. Met het voortreffelijke Rosemary’s Baby (1968) werden de weeën voelbaar van de geboorte van de ELK terreurgolf die over het Amerikaanse continent zou woeden in de jaren’70. Onverwoestbaar is het beeld van het door een demon bezeten meisje Regan in The Exorcist (1973). Regan is zelfs zo extreem lastig dat een priester erbij moet worden gehaald om het Erg Lastige uit het kind te drijven. Ondanks alle groene kots en bloederige crucifixen eindigt de helse exercitie toch met een happy end, want priesters kunnen zoals bekend erg goed met kinderen omgaan. Hetzelfde kind-bezeten-door-de-duivel thema wordt overigens schaamteloos maar zeer effectief geëxploiteerd in The Omen (1976). Het flirten met de duivel is echter nog kinderspel vergeleken bij de moordzucht van de kleine barbaren in de spaanse cultklassieker ¿Quién puede matar a un niño? (Who can kill a Child?, 1976). Een man denkt met zijn zwangere vrouw er even rustig op uit te kunnen gaan als ze afreizen naar een afgelegen eiland. Op het eiland hangt een vervreemdende sfeer, want alle volwassenen zijn spoorloos verdwenen. Het mysterie wordt spoedig ontrafeld als duidelijk wordt dat de overgebleven kinderen verantwoordelijk blijken te zijn voor de absentie van de volwassenen, en uiteindelijk blijkt de vraag die in de titel verborgen zit een levensbepalend dilemma voor het stel. Kan men een kind doden om het eigen leven te redden? De afloop is uitzonderlijk pessimistisch en misantropisch. Wie The Birds (1963) van Alfred Hitchcock heeft gezien zal aanvoelen dat het einde zoek is wanneer onschuldig ogende wezens massaal de (tegen)aanval zoeken…
Bovenstaande films fascineren en shockeren, maar als het licht weer aan gaat, voelt men zich gerustgesteld: ‘Het was maar een film’. Even griezelen, en dan weer lekker onder de wol. The Brood (1979) van Body Horror meister David Cronenberg delft daarentegen veel dieper in de ziel, en garandeert dan ook nog vele slapeloze nachten. In The Brood plegen gemuteerde kinderen een serie van gruwelijke moorden. Deze kinderen hebben een ongebruikelijke afwijking. Ze hebben namelijk geen navel. In de finale wordt duidelijk dat de kinderen in de wereld zijn gekomen door parthenogenese, aseksuele voortplanting. Het manifesteert zich bij een getraumatiseerde moeder die zich na de scheiding van haar man en kind onderwerpt aan een onconventionele therapie ‘Psychoplasmics’ gericht op het psychosomatisch uitleven van geïnternaliseerde woede en verdriet. The Brood is dan ook veel meer dan een griezelfilm. Het is vooral een huiveringwekkende dissectie van de wonden geslagen door emotionele verwaarlozing van kinderen, wonden die in dit verhaal overgegeven worden van moeder naar kind. Erg Lieve Kinderen met Erg Lastige Ouders (ELO’s) worden zelf ELO’s, die op hun beurt de levens van hun Erg Lieve Kinderen kapot maken. De navelloze ELK’s in ‘The Brood’ zijn dan ook in zekere zin ‘van nature’ nog relatief onschuldig vergeleken bij de collateral damage die de emotioneel ontspoorde volwassenen aanrichtten in de levens van anderen, en vooral de levens van jonge kinderen. Deze introductie eindigt aldus met een zwaarmoedige noot, maar eveneens met een bemoedigende aansporing. Alvorens U de KOD belt om uw eigen ELK’s mee te laten mee nemen, druk ik u op het hart in te zien dat in iedere ELK een erg lief kind schuilt. Ook in uzelf. Lees uw lieve kind een griezelverhaaltje (van bijvoorbeeld Roald Dahl) voor het slapen gaan voor, zo worden de werkelijke demonen even verdreven en patrouilleren de busjes van de KOD alleen in de straten van enge dromen.
Vandaag is het vrijdag de 13de. En 13 augustus is eveneens ‘dag van de Linkshandigen’. Om het feest compleet te maken viert Fidel Castro vandaag ook nog eens zijn 84ste verjaardag. Castro is een ambidexter, wat betekent dat hij zowel vaardig is met de linker- als met de rechterhand. Hij overleefde de ambtstermijnen van maar liefst vier linkshandige Amerikaanse presidenten (Gerald Ford, Ronald Reagan, George H.W. Bush en Bill Clinton). En dan laat ik nog hors concours de zittende linkshandige president van de Verenigde Staten, Barack Obama. De linkshandige dynastie kwam bij de laatste verkiezingen overigens niet in gevaar, want zijn tegenstrever John McCain, geloof het of niet, is eveneens linkshandig! Dus linksom of rechtsom, de linkerhand wint (bijna) altijd. De vraag dringt zich op waarom opvallend veel Amerikaanse presidenten hun decreten met de linkerhand ondertekenen. Zou het slechts toeval zijn? Ongeveer 10% van de (Amerikaanse) bevolking is linkshandig, terwijl vijf van de zeven laatste presidenten (inclusief Obama) southpaws waren. Ik ben geen kei in kansberekeningen, maar dit is toch wel een opmerkelijk proportioneel verschil, die niet enkel toegeschreven kan worden aan toeval. Men zou kunnen aanvoeren dat linkshandigen wellicht beschikken over een mysterieuze x-factor dat net het verschil maakt in de hoogste politieke arena. Daar heb ik zo mijn vraagtekens bij. Ronald Reagan wordt bijvoorbeeld niet herinnerd om zijn buitengewone intellect of scherpzinnigheid, eigenschappen waarmee linkshandigen iets beter bedeeld zouden zijn. Reagan was in mijn ogen juist de archetype van de rechtshandige man, maar toegegeven, deze gedachte komt waarschijnlijk voort uit mijn linkshandige vooringenomenheid en trots.
Of zou er dan toch een sinister complot van linkshandigen zijn in de hoogste kringen van Washington dat zich zelfs uitstrekt over partijlijnen (met ambidextere lijntjes getrokken naar Havana)? Hoe bizar dit ook mogen klinken, het idee is misschien toch niet helemaal gaga. Haal de beelden maar terug van de inauguraties der presidenten. Wanneer een nieuw gekozen president de ‘Oath of Office’ aflegt, rust de linkerhand op de bijbel. De symboliek is evident: de linkerhand van een linkshandige op de bijbel is als een rituele bezegeling van een monsterverbond. Het sinistere verenigt zich met het goddelijke. “In God We Trust”. Ja, logisch. God is linkshandig.
Tientallen opgerookte sigarettenpakjes terug in de tijd heb ik mij gestort op het uitwerken van een blauwdruk voor een novelle: Het Marlboro Man-syndroom. De fundamenten werden gelegd, maar het heien in mijn hoofd is voortijdig gestopt. De bouwplaats ligt er verlaten bij, bezaaid met stompjes van opgerookte Marlboro’s. De bouwwerkzaamheden van de zo strak als een lucifer gestroomlijnde constructie zijn voor onbepaalde tijd stilgelegd door een slepend conflict tussen de architect en de bouwer. Verschillen van inzicht in de verwezenlijking van het fabelachtige ontwerp hebben helaas geleid tot een patstelling der geesten.
De afmattende schaakpartijen met mijn eigen George Stark, de Dark half, eindigen meestal in ressentimentvolle remises. Wanneer ik opkijk van het schaakbord en probeer mijn tegenstander te verleiden tot een dodelijk staarduel, in de ijdele hoop hem door het priemen van mijn ogen te dwingen zijn koning om te leggen, zie ik niets anders dan een schim gehuld een wolk van tabaksrook, en dan realiseer ik me plots wie ik tegenover me heb: de man met het Marlboro Man-syndroom.
Ooit in een vergeten bioscoopzaal, zag ik de Marlboro Man figureren in een reclameblok voorafgaande aan een voorstelling van Harley Davidson and the Marlboro Man. Het moet een van de laatste keren zijn geweest dat ik de Marlboro Man zag opdraven in zijn natuurlijke biotoop, een prairie van popcorn en plastic gewatteerd in nuit américaine licht (niet veel later, in 1996, werd de tabaksreclame verboden in de Nederlandse bioscopen). Toendertijd was ik me niet bewust van de wrange ironie: de Marlboro Man te aanschouwen als een sideshow freak in het voorprogramma van een film waarin het Marlboro Man imago werd gekaapt voor het resusciteren van Don Johnson’s zieltogende acteercarrière. Destijds was ik me eveneens niet bewust van de dramatische lotgevallen van de mannelijke modellen die de Marlboro Man over diverse decennia een ‘iconische representatie’ gaven. Maar liefst drie voormalige Marlboro Mannen stierven aan longkanker. Levens uitgedoofd door het aansteken van de ene Marlboro met de andere. De Marlboro Man vloek was dan ook de inspiratie voor de lugubere bijnaam van de Marlboro sigaretten: Cowboy killers. Wayne McLaren, de Marlboro Man van het jaar 1976, zette zich tegen het einde van zijn leven zelfs actief in voor de anti-roken lobby, waarop Philip Morris, het sigaretttenimperium achter de merknaam Marlboro, in een publicitaire tegenaanval het valse bericht de wereld in stuurde dat McLaren nooit model zou hebben gestaan voor de Marlboro Man campagne van 1976.
De verborgen geschiedenis van de Marlboro Man was een geschiedenis van gefragmenteerde in rook opgaande identiteiten. De illusie van een identiteit is de ware identiteit van de Marlboro Man. Zoals de identiteit van de mysterieuze naamloze Cigarette Smoking Man in de tv-serie The X-files een illusie van een identiteit was. Het was dan ook zeer toepasselijk dat de Cigarette Smoking Mansigaretten rookte van het fictieve merk Morley, een verbastering van Marley, oftewel Marlboro. Ik zou graag eens een Morley willen roken, misschien helpt het me wel af van het Marlboro Man-syndroom.