Crepuscult

De schemerwereld van Michel Kasimir

De illusie van een gesloten verdediging

Michel Kasimir leest achterstevoren 

 

    De verdediging, Vladimir Nabokov

Curt Von Bardeleben

Curt Von Bardeleben

Het verhaal gaat dat de excentrieke Duitse schaker Curt von Bardeleben in 1924 zichzelf van het leven beroofde door uit een raam van een Berlijns appartement te springen. Het tragische einde van von Bardeleben zal de destijds in Berlijn in ballingschap levende schrijver en schaakliefhebber Vladimir Nabokov ongetwijfeld ter ore zijn gekomen. In 1930 verscheen, onder zijn nom de plume V. Sirin, de roman De verdediging (Zasjtsjita Luzjina) waarin een wereldvreemde grootmeester in het schaken, genaamd Luzjin, een fataal Von Bardelebentje pleegt. Behalve het vallen uit ramen, vallen Luzhin en von Bardeleben ook ten prooi aan het trauma van een vernietigende zenuwslopende nederlaag, met littekens in de tere schaakgeest als blijvende herinneringen.

Von Bardeleben gold als een van de beste grootmeesters van het Duitse Keizerrijk.  Toch wordt hij niet in eerste instantie als een grootheid herinnerd. De herinnering aan von Bardeleben is altijd verbonden met een van de onsterfelijke partijen in de schaakgeschiedenis, een onsterfelijke nederlaag voor von Bardeleben. Deze partij staat bekend als “The Battle of Hastings”. De locatie was Hastings, het jaar was 1895, en de tegenstander was Wilhelm Steinitz. Een woeste witte toren walste zich een weg door de verdedigingslinie van het zwarte kamp. Von Bardeleben, de speler met de zwarte stukken, zag dat de aanval van wit niet meer te stoppen was. Legendarisch is vervolgens het weglopen van von Bardeleben uit de zaal op het moment surprême van de partij. Volgens Tim Krabbé deed Von Bardeleben dit uit protest tegen het rumoerige applaus voor de andere winnaars in de zaal (Een Fischer walkout avant la lettre), dit in tegenstelling tot de notie dat von Bardeleben de aanstaande nederlaag niet kon verkroppen. Hoe dan ook, von Bardeleben verloor op tijd. De rest van het toernooi was voor von Bardeleben een lijdensweg.

Wederom Krabbé in 2004 over von Bardeleben: “De Berlijner Kurt Von Bardeleben (1861-1924), jurist maar vooral schaker en schaakschrijver, wordt beschreven als breekbaar, teruggetrokken, gevoelig, en ongezond; te zacht voor het harde toernooileven. Hij pleegde zelfmoord door uit een raam te springen. Maar behalve door zijn onsterfelijke verliespartij leeft hij juist daardoor voort; Nabokov schonk die sprong aan zijn grootmeester Luzhin, de treurige held van zijn roman De Verdediging.”

In De verdediging wordt een monsterlijke partij in een kandidatenmatch Luzjin ook te machtig. De partij tegen zijn grote rivaal Turati wordt weliswaar afgebroken, maar grote ontreddering en verwarring treft Luzjin; De partij en de match wordt nooit meer voortgezet. Een zenuwinzinking volgt en als het weer iets beter met hem lijkt te gaan, begint Luzjin overal om hem heen, en dwars door de tijd, patronen, herhalingen en variaties te zien zoals in een zeer gecompliceerde en verheven vorm van blindschaak. Het is een strijd die hij nooit kan winnen, maar die ook nog eens nooit lijkt op te houden. Zijn uitgekiende metafysische ‘verdediging’ wordt systematisch ontrafeld door zijn onzichtbare tegenstander; Deze kwelduivel van een hogere denkorde eist het hoofd van Luzjin, met ‘zelf-mat’ (zoals Nabokov de zelfmoord in zijn latere voorwoord voor De verdediging omschreef) als de laatste onvermijdelijke zet volgens de bizarre logica in het hoofd van Luzjin .

Fragment uit De Verdediging (pagina 137, uitgave De Bezige Bij, 1967) over de finale momenten van de afgebroken partij tegen Turati:

“Luzjin bereidde een aanval voor, maar moest eerst een doolhof van varianten verkennen, waarin elk van zijn stappen een gevaarlijk echo wekte, en begon langdurig te peinzen: het leek alsof hij zich nog één laatste, kolossale inspanning moest getroosten – dan zou hij de geheime zet vinden die leidde naar de overwinning. Plotseling gebeurde er iets buiten zijn wezen, een verzengende pijn – hij stootte een luide kreet uit, schudde zijn hand die hij had gebrand aan de vlam van een lucifer, aangestoken en vergeten tegen zijn sigaret te houden. De pijn verdween direct, maar in de gloeiende gaping had hij iets ondraaglijks verschrikkelijks gezien, de afgrijselijke, onpeilbare afgronden van het schaken.”

De verdediging uitgave De Bezige Bij 1967

Nabokov schrijft over mensen als ware ze schaakstukken. Zo is mevrouw Luzjin een belangrijke tot dame gepromoveerde pion. Onduidelijk blijft echter van welke kleur ze is. In al haar moederlijke toewijding om Luzjin te bewegen tot activiteiten buiten de in haar ogen ongezonde praktijk van het schaken, bespoedigt ze, zonder het zelf door te hebben, zijn ondergang. Luzjin wordt een clandestiene schaker in zijn eigen hoofd, de enige plek waar hij zich nog kan bergen om na te denken over de volgende zet, terwijl mevrouw Luzjin vergeefs probeert een conversatie op gang te brengen over politieke aangelegenheden, in de waan dat hij zich er voor zou interesseren. Luzjin senior, de vader, is een schaakstuk dat al in de opening wordt geofferd. Een stuk die in de weg staat van de ontwikkeling, en met sardonisch genoegen door Nabokov beschreven, een stuk dat van zichzelf denkt een raadsheer te zijn, maar in werkelijkheid een pion is geblokkeerd door een ander stuk (zijn zoon). En dan is er nog de grootmeester Turati, de toren. De stormram die door de ommuurde verdedigingslinie van Luzjin breekt. De naam Turati moet wel een nabokoviaanse samenstelling zijn. ‘Tura’ uit het Roemeens, of het Franse ‘tour’, betekent ‘toren’, in combinatie met de naam van de beroemde Italiaanse grootmeester Ricard Réti. Tura + Reti = Turati. Een plausibele theorie, want Turati wordt in De verdediging omschreven als een gedurfd schaker die graag vanaf de flanken de aanval op het centrum inzet. Laat het nu zo zijn dat Réti een beproefde opening op zijn naam heeft staan die tot de flankspelen wordt gerekend!

De compositie van De verdediging heeft wel iets weg van een schaakpartij. Het begint met een gesloten beklemmende tsaristische opening. Onverwachte wendingen leidden tot een Italiaans middenspel. De horizon wordt breder. Nieuwe perspectieven doemen op. Liefde. Maar ook toenemende complicaties. Twijfels die leidden tot wanhoop. Het Berlijnse eindspel dat volgt is er een met een in het nauw gedreven paard, dat natuurlijk gekke sprongen maakt. Het eindigt dus met zelf-mat.

Het paard in het eindspel is vanzelfsprekend Luzjin. Maar zijn rol blijft ongrijpbaar. Hij is als een verdwaald schaakstuk. Per ongeluk beland op een ander schaakbord.  Nabokov koos de naam Luzjin voor zijn hoofdpersonage, omdat Luzjin rijmt op het Engelse illusion, oftewel illusie. In veel van zijn eigenaardigheden doet Luzjin denken aan een joker, een kaart die in het schaakspel niet kan worden uitgespeeld. Luzjin is in een wezen een komisch figuur. Hij stuntelt en blundert zich weg door het leven, en eigenaardig, hij blijft toch redelijk op de been. Voor iemand die niet eens het adres van zijn eigen woning in Berlijn weet, redt hij zich toch nog aardig. Maar dat is niet iets waarvan Luzjin zichzelf bewust is. En daarin schuilt de tragikomische kant van Luzjin. Bijna geen besef van zichzelf en een illusionair beeld van de werkelijkheid om heen. Dat het leven een worsteling is, dringt enigszins door tot Luzjin, maar hij kan het alleen begrijpen door het te vertalen in de taal van het schaken.

Schets voor een schaakprobleem van de hand van Vladimir Nabokov

Schets voor een schaakprobleem van de hand van Vladimir Nabokov

Taalmeester Nabokov beheerste de taal van het schaken als geen ander. Zo componeerde hij tal van ingenieuze schaakproblemen. Een idee voor een specifiek soort schaakprobleem verwerkte hij in De verdediging. Nabokov omschreef het probleem als een ‘omgekeerde analyse’, waarbij de oplosser gevraagd wordt te bewijzen, aan de hand van een bestudering van een stelling, dat zwart’s laatste zet niet een rokade kan zijn geweest, of wel het en passant slaan van een witte pion. Precies het soort duizelingwekkende probleem waarin Luzjin zich zou kunnen verliezen. Geen wonder dat schakers uit ramen springen. Schaken is inderdaad een ongezonde bezigheid.

De geheimzinnige ster

David-Bowie-Blackstar

Blackstar – David Bowie. Een recensie.

Looking for the real David is like trying to find Harry Lime, the elusive character in Graham Greene’s  ‘The Third Man’. 
(Ray Davies, 2015)

Met Blackstar heeft Citizen Bowie op het nippertje nog zijn rosebud aan ons nagelaten. Je zou denken dat Bowie in de leer is geweest bij Orson Welles. Beiden waren mecaniciens van mythe en mysterie. Waar staat rosebud voor? Wat betekent Blackstar? Is Bowie’s zwanenzang een kunstwerk van een aangekondigde dood zoals Robert van Gijssel in de Volkskrant schrijft? Of is het allemaal much ado about nothing.

Niets is wat het lijkt. De filosoof Simon Critchley heeft een heel boek volgeschreven over de betekenissenwereld van David Bowie. Het viel Critchley op dat het woord ‘nothing’ veelvuldig en prominent voorkomt in het repertoire van Bowie. Denk aan: We’re Nothing and Nothing will help us (Heroes). Uit het niets komt het Bowie-universum voort. Bowie’s Big Bang. Is dit echter allesverklarend, en wat is dan dat ‘niets’? Betekent ‘niets’ iets? Als je aan boord gaat van de Bowie boot, kom je al snel in het vaarwater der solipsisme.

Het valt niet te ontkennen dat het album Blackstar elementen bevat van een driehoeksverhouding tussen leven, dood en kunst. Er is geen Freud nodig om tekstregels als Look up here, I’m Heaven / I’ve got scars that can’t be seen / I’ve got drama, can’t be stolen / Everybody knows me know (Lazarus) te duiden. Hier zingt Bowie over zichzelf, wetende dat hij zal sterven aan kanker, wetende dat ‘wij’ er uiteindelijk achter zullen komen. En zo zijn er nog een aantal overtuigende bewijsstukken aan te voeren, dat Blackstar een kunstig vormgegeven logboek is van een stervende kunstenaar.

David-Bowie-Lazarus

Toch zijn hier ook kanttekeningen bij te plaatsen. Het nummer Lazarus, voor een gedeelte autobiografisch (en alleen achteraf gezien!), was in eerste instantie geschreven voor de musical Lazarus, waarin de lotgevallen van het personage Thomas Jerome Newton na de gebeurtenissen in The Man who fell to Earth, centraal staan. David Bowie speelde Newton in de film The Man who Fell to Earth, al zover terug als 1976. Het personage Newton uit de oorspronkelijke roman van Walter Tevis is nog ouder. Het boek verscheen in 1963. Waarmee ik wil aangegeven dat het personage van Newton een eigen geschiedenis heeft. Het is bekend dat Bowie moeiteloos de rol van Newton wist te vertolken ten tijde van de filmversie. Hij speelde gewoon zichzelf, liet hij zich eens ontvallen. Maar het gaat te ver te stellen dat Newton Bowie is. Te stellen dat Newton het enige geesteskind van Bowie is, klopt ook niet.

Het album Blackstar is overduidelijk wel het geesteskind van Bowie. Het is vol van betekenis, maar is ook vervuld van schijnbetekenis. Everybody knows me now.  Het paradoxale is dat het tegenovergestelde misschien nog meer waarheid bevat. En dat maakt Bowie zo fascinerend. En de muziek – vergeet de muziek niet! – is betoverend op Blackstar. Het titelnummer Blackstar waarmee het album opent is als een opiumroes. Het is hypnotiserend in het begin. Halverwege lijkt de mist te klaren. Maar dit blijkt dan ook weer een verradelijk visioen, als de dromerigheid verdampt, en we terugkeren naar nachtmerrieland. ‘Tis a pity she was a whore is vervolgens heerlijk bonkers, zoals ze dat in Engeland zouden zeggen. Bowie bezingt zijn innerlijke Jean Genet. Hij zingt als een aan lager wal geraakte Bryan Ferry. De muzikale begeleiding klinkt als het huisorkest van The Muppets, die een muzikale homage brengen aan het Sun Ra Arkestra.  Kant A besluit met Lazarus. Het begint en eindigt met een gitaarlijn die sterk doet denken aan The Cure circa Disintegration. De sfeer is gedragen en beklemmend, met even enkele lichtstralen in de duisternis.

Kant B opent met Sue (or in a Season of Crime). Het is een nieuwe versie van de single die Bowie al uitbracht in 2014. De oorspronkelijke versie, opgenomen met de New Yorkse big band van Maria Schneider, kenmerkte zich door een jazzy film noir-sfeer. Hardgekookt drama in de traditie van Amerikaanse crime writers als Jim Thompson en James M. Cain. De nieuwe versie is koortsachtiger. Het klinkt alsof een zenuwinzinking nabij is. Tegelijkertijd is het vreemd opzwepend. Girl loves me is real horrorshow, my brothers. Cryptofoon en gelardeerd met het vocabulaire van zowel Nadsat als Polari. Het praatzingen van Bowie is fantabulosa. Dollar Days behoort tot het beste van Bowie’s balladerie. Het is in meerdere opzichten een ontroerend en bevlogen afscheidslied. De pijn wordt niet verbloemd. Het lied is zeer melodieus met verrukkelijk saxofoonspel van Donny McCaslin. If I’ll never see the English Evergreens I’m running to / It’s nothing to me / It’s nothing to see. Het laat mij niet onberoerd. De afsluiter I can’t give everything away klinkt aanvankelijk lichtelijk teleurstellend. Het is te waterig. Maar als Bowie zo meeslepend blijft zingen dat hij niet alles kan weggeven, smelt het hart dan toch. Het eindigt met wederom mooi saxwerk, en een miniatuur van een melancholiek gekleurde gitaarsolo, herinnerend aan Robert Fripp, ooit in de Berlijnse dagen ‘partner in crime’ van Bowie.

Bowie schreef in 1993 een essay, voetnoot bij de de cd The Buddha of Suburbia, waarin hij het volgende opmerkte over zijn muzikale ambitie: “My own personal ambition is to create a music form that captures a mixture of sadness and grandeur on the one hand, expectancy and the organization of chaos on the other. A music that relinquishes its hold upon the 20th century, yet searches-out that which was stimulating  and productive  as a basis from which to work in the 21st century.”

Het album Blackstar is het testament van die ambitie. Het testament van The prettiest Star, de geheimzinnige ster.

 

Etoile mysterieuse, Herge

Etoile mysterieuse, Herge

 

 

David Bowie’s Fantastic Voyage

My brain hurt like a warehouse, it had no room to spare
I had to cram so many things to store everything in there
(Five Years, David Bowie)

Where the fuck did Monday go? Blue Monday is dit jaar een week te vroeg gekomen. Blue, Blue, Electric Blue, That’ s the color of my room where I will live. Buiten is het druilerig grijs. Vintage 1947 Brixton. Niemand verkoos rode schoenen te dragen vandaag. Niemand haast zich om op tijd in de kerk te zijn. Het is eigenlijk een gewone dag. Of is het een façade? Te bedenken dat op hetzelfde moment over de hele wereld kinderen kamelenpoep smeren over muren. Dezelfde muren waartegen steeds weer dezelfde auto’s botsen.  De ondoordringbare muren van een krankzinnigengesticht opgetrokken uit glas. Waar vlooien, zo groot als ratten, zich te goed doen aan dode ratten, zo groot als katten. Hunger City opent vandaag de poorten. Al is het maar voor een dag. Geloof me, Hunger City bestaat echt. Je moet het alleen weten te vinden. Zet je TomTom (Ground Control to Major Tom) aan als je bent aangekomen in de periferie van Suffragette City.

David Bowie is dood. Zijn bijl heeft het ijs eindelijk verbrijzeld. Hij was mijn onaanraakbare kamergenoot voor wat een eeuwigheid leek. Never a dull moment wanneer hij er was. Hij ging wel een beetje te ver toen hij zijn eigen urine stalde in onze koelkast. Maar goed, dat is nu allemaal water onder de brug. Dat krijg je als je Britse excentriciteit in huis haalt.
Hij was heel goed in het vertellen van de meest fantastische bizarre verhalen. Soms ontroerend. Soms macaber. Vaak onsamenhangend. Dat deed hij volgens mij met opzet. Ook vaak cryptisch. En geestig, kinderlijk soms, maar vooral memorabel, en geniaal. Someone like you shouldn’t be allowed to start any fires. Zulke dingen zei hij dan. Alleen HIJ kon zoiets bedenken. Ik weet niet waarom, maar ik vond het heel geestig als hij met zoiets – out of the blue- op de proppen kwam.

Bowie subway

Trachten de Bowie-code te kraken is een recept voor waanzin. Zijn universum is gekmakend fragmentarisch. Het is beter te ervaren, dan te weten. Knowledge comes with death’s release. Het is de kunst niet te diep te zinken in het drijfzand van vicieuze gedachten. Dat was waar Bowie voor vreesde. Gekte of de angst krankzinnig te worden is een constante in zijn discours. Arnon Grunberg raakt een snaar als in hij zijn Voetnoot over Bowie uitkomt bij de angst voor controleverlies, het hield Bowie lange tijd gevangen. No control / I can’t believe I have no control / It’s all deranged!
Het gekke was dat Bowie aan de andere kant juist opleefde als hij de controle liet varen. Voor hem was de non-methode de beste methode. Vakbroeder en vriend Brian Eno zei dit over het wezen van kunst: In art you can crash a plane, and walk away from it.  Bowie is schuldig aan een aantal schitterende ongelukken vanuit deze zienswijze. Neem bijvoorbeeld de verbijsterend mooie ontregelende pianosolo van Mike Garson halverwege het titelnummer van Aladdin Sane.  Bowie gaf Garson de vrije hand. Maak het destructief. Het zijn dergelijke artistieke keuzes die de hand van een meester doen verraden.

bowie read

 

David Bowie was een moedige Apollo. Nimmer de derde man van rechts. Bowie was een meesterdief. Hij was niet mainstream. Een buitenstaander. Een onderschatte saxofonist. David Bowie was buitenaards mooi. Hij had een mooi slecht gebit. Hij had bijzondere ogen. Hij had The Look. Hij was het toonbeeld van ‘Cool’. Hij heeft veel gerookt. Gitanes was zijn merk. En dan was er nog de Angel Dust. Bowie had vliegangst. Hield niet van thee. David Bowie was verlegen. Hij las graag en veel. Hij had goede smaak. Hij was lyrisch over Scott Walker en Little Richard. Hij bracht intellect in de heidense wereld van de Rock ‘n Roll. Hij was de 20e én de 21e eeuw. Hij verzon taal. Wat hij ook droeg, hij zag er altijd gorgeous uit. Hij hielp zijn vriend Iggy Pop er weer bovenop. Hij was een goed acteur. En een getalenteerde leugenaar. Intuïtie was zijn tweede natuur. Hij was linkshandig. En een ambidexter. Hij was een fabricatie. Hij was fascinerend. Hij was vreemd. Hij was ontwapenend. Hij was afstandelijk. Charmant en altijd een gentleman. Hij was David Bowie. En nu is hij een Blackstar.

ZANE ZANE ZANE, OUVRE LE CHIEN

Bye, bye, I love you David

 

 

Bowie-630x635

 

 

 

 

Bataclan

Bataclan. De Parijse concertzaal, de naam alleen al, een droompaleis in mijn gedachten. Lou Reed, John Cale en Nico, alumni van The Velvet Underground,  veroverden ooit Bataclan. Zonder geweld. Maar met mooie muziek.

Moge die magische kracht van Bataclan blijven bestaan. Ondanks de barbaren.

 

 

 

  Read the rest of this entry »

Electrisch Vriendje

 

Als tiener raakte ik betoverd door het enige nummer van Gary Numan dat mij toen via de radio kon bereiken: Are Friends electric? Een lied waarvan ik aanvoelde dat de zanger mij ook aanvoelde. Zoals ook David Bowie dat met mij deed. Futuristische vervreemdingsromantiek voor verlegen jongens en meisjes. Wereldvreemd als ik ben, meende ik een sterke invloed op te pikken van de Science-Fiction boeken van de onvolprezen en eveneens wereldvreemde schrijver Philip K. Dick. I might be wrong, I might be right. Numan kende een zeer fanatieke schare fans, de Numanoids, en was eind jaren’70 voor even een superster in de synthetische 17de hemel. Wie herinnert het zich nog? Enfin. Ik ben zo vrij te zeggen dat The Pleasure Principle ook in 2013 overeind blijft als een vervoerende plaat. Muziek kan niet dateren. Alleen Humanoids kunnen hun jeugdigheid verliezen.

ThePleasurePrinciple1

Het Onttroningslied

Het verheugt mij als eerste in Nederland de tekst te mogen vrij geven van het Onttroningslied. Jawel, Crepuscult heeft de primeur! De melodie is geschreven door de componist John Wanklank. Zoals bekend gaat het gerucht rond dat hij plagiaat zou hebben gepleegd, dat de melodie gejat zou zijn van “Vluchten kan niet meer”, maar ik kan u verzekeren dat dit een ongefundeerde aantijging betreft.

Bij deze kan ik ook onthullen dat er vocale bijdragen zijn te verwachten van vooraanstaande artiesten als Danko Borsalino, Paul de Geeuw, Trijntje Schaamluis en de rappers Bami Bal en Bange Franz. De tekst heb ik in de gauwigheid door genomen, en ik kan er niet omheen dat het hier en daar grammaticaal uit de bocht vliegt, maar goed, wat kan je ook verwachten als Daphne Stekkers er aan mee heeft geschreven.

Speciaal voor de geharde republikeinen, is hier de ongecensureerde liedtekst te lezen!

ONTTRONINGSLIED

 

Daar sta je dan
Je zag dit moment al zo vaak in je nachtmerries
En daar is ‘t dan
De dag die je vreesde, is eindelijk hier
Ben je er klaar voor?
Kun je dat ooit echt zijn?

 

Daar sta je dan
Geen doel meer in dit leven
Niets om je daar op voor te bereiden
Daar is het dan
Je beloofde dat je alles zult weg geven
Iedere misstap die je zette die leidde naar hier
En kijk om je heen
Je onderdanen lopen niet met je mee

 

Door de regen en de wind
wil ik niet meer naast je blijven staan
Ik kerm als je toch weer naar me komt
Je bent gewaarschuwd want
Ik zal je wraken als jij slaapt
Hou je gegijzeld zo lang als ik leef

 

Een verloren strijd, twee verloren levens
We staan tegenover elkaar, stop met smeken
Een veldslag, hoor ons dierlijk schreeuwen
Op elkaar, en tegen elkaar, in de modder en de regen
Jij tegen mij, borsten geplet
Jij, een kat in het nauw, je hebt het verbruid
En hoe vilein ik ook ben
Jouw misdaden zijn nog altijd groter
Je komt niet onder me uit
Dat lukt je niet, mijn beste vijand
Je pa, noch je opa
Zijn er hier voor je, in de wind en regen
Niemand die achter je is blijven staan
Ik braak op een vaandel met jouw naam
En ik beroof jou van jouw faam
Want ik breek een dijk met m’n blote handen
En zeg dat jij het hebt gedaan

 

Laat het leven als het water overstroomt
Waar mijn hart zo naar verlangt
Ik zal niet rusten tot het waar geworden is
En als je ooit nog boven komt
Gered door de slaven van de macht
Vrees dan het naken van de nacht

 

Ik zal je bestrijden als een leeuw
Tot het jou aan alle moed ontbreekt
Geen koning zo lang als ik leef

 

De W van Willem
Niet meer dan drie vingers in de lucht, kom op zeg
De W van Willem is de W van de Witte vlag
Heel Oranje geeft zich over
De W van wijwater waarin wij zeiken
We houden het niet droog, het stroomt
door de gaten van je vermaledijde dijken
De W van Waarom wij nog moeten bidden
Voor een god die niet bestaat in ons midden
De W van Willem
De W van Wat? Weer die stamppot op tafel?
niet te vreten!
De W van altijd willen winnen
Zonder gewetensbezwaar, zonder te bezinnen
De W van wij zijn Wezenloos
Voor ons zelf en tegen elkaar
En dus jammeren we vandaag van

 

Door de regen en de wind
wil ik niet meer naast je blijven staan
Ik kerm als je toch weer naar me komt
Je bent gewaarschuwd want
Ik zal je wraken als jij slaapt
Hou je gegijzeld zo lang als ik leef

 

Laat het leven als het water overstroomt
Waar mijn hart zo naar verlangt
Ik zal niet rusten tot het waar geworden is
En als je ooit nog boven komt
Gered door de slaven van de macht
Vrees dan het naken van de nacht

 

Ik zal je bestrijden als een leeuw
Tot het blauwe bloed kapituleert
Geen koning zo lang als ik leef

 

 

Spoken

De nieuwe plaat van de Utrechtse band This Leo Sunrise komt met een album-cover waar je oneindig naar kan turen. Een intrigerend schaduwspel. Ik meen een gestalte te ontwaren, gevangen in het licht, een man met een geweer. Mijn fantasie gaat zelfs verder: de man is een sluipschutter, verschanst hoog boven in een flat, uitkijkend over een door bommen en granaten verwoeste stad, ergens  in het door oorlog geteisterde  Tsjetsjenië. Ik kan het uiteraard mis hebben! Maar dat is nu juist zo aardig aan dit mysterieuze beeld. De fantasie die geprikkeld wordt. Een soort Rorschachtest, maar dan met schaduwen in plaats van inktvlekken.

De titel van de plaat is Spoken. De schaduwfiguur zou ook nog wel eens een spook kunnen zijn… Foto’s van spoken, ze schijnen te bestaan! Een roemrucht voorbeeld is de portretfoto van de weduwe Lincoln met de geest van de overleden Abraham zichtbaar op de achtergrond. De foto bleek later fake, geen verrassing uiteraard, maar het gegeven blijft o zo fascinerend: het vastleggen van wat niet in fysieke zin daar is, het onzichtbare, het onzegbare, het vangen van de ziel der dingen. Een schijnbaar onmogelijke opgave, maar toch niet helemaal. Muziek kan die sensatie bijvoorbeeld oproepen. Luister maar naar de plaat Spoken.

Een antieke tape-recorder

Het spookt nogal in het hoofd van Jacco van Elst, de zanger van This Leo Sunrise, getuige deze plaat. Tot voor kort hanteerde hij het pseudoniem Tape. Misschien is dat nog steeds het geval. Ik weet het niet zeker. In ieder geval bekruipt mij bij het luisteren van zijn zangteksten het gevoel dat ik naar de Van Elst Tapes luister. De tapes waarop hij zijn persoonlijke gedachten inspreekt. En zijn demonen lijkt toe te spreken. ‘Spoken’ betekent in het Engels ook nog eens gesproken, hoe toepasselijk. Zijn stem zou die van een personage in een Herman Hesse roman kunnen zijn. Van Elst doet op deze plaat namelijk aan de nodige soul searching. En daarin durft hij zichzelf niet te sparen.

Een ‘wicked soul’ noemt hij zichzelf in het met bijbelse beeldspraak gelardeerde lied Serpent Saint. Het lied dat hij afsluit met de memorabele (en geestige) strofe: “I am the Serpent Saint with my Crocodile Brain“. Twofold Ambition is een sterke opener van het album waarin hij in rake bewoordingen een verklaring van zijn dubbelgelaagde ambitie lijkt te willen afgeven. Een lied waarin tegelijkertijd ook zijn twijfel doorsijpelt. De pijn voelbaar, als idealen schuren tegen de muur van de werkelijkheid. De twijfel lijkt in het laatste nummer, Sprouts, verworden tot wanhoop. In een intieme dagboekstijl praat/zingt hij: “The more I see /the less I want to know.” Woorden die resoneren, zelfs als de naald al van de plaat is.

Met Spoken verfijnt This Leo Sunrise het karakteristieke geluid van hun vorige EP’s. Nog steeds klinkt het polder-folkgezelschap zo gedragen als een begrafenisstoet die traag en statig voortgaat. En dan ook nog eens heuvel op. Soms zou je ze wel eens vooruit willen schreeuwen. Even een luchtig cancannetje tussendoor, of, een Zappa-achtige vogeltjesdans bijvoorbeeld, om de gevoelde spanning te verlichten, het zou de algehele sfeer misschien wel verrijken. Daarvoor zullen we allicht moeten wachten tot de tijd wanneer This Leo Sunrise hun eigen White Album zal uitbrengen.

De troefkaarten van This Leo Sunrise zijn echter goud waard. En die troefkaarten speelt de band volledig uit op deze plaat: de warmte en textuur van de instrumentatie, de melancholieke zolderkamer-ambiance in het samenspel van de muzikanten. Violiste Violet excelleert op deze plaat, meer dan ooit tevoren. Door haar spel, met die compacte maar treffende soli, maar ook door haar sfeerverhogende begeleiding, laat zij een tweede stem horen, een stem die lijkt te communiceren met Van Elst, zij, de onzichtbare ‘ander’. Gitarist Serpentine is misschien wel de meest bescheiden gitarist denkbaar. Ook hij bedient zich van een minimalistisch muzikaal palet zonder een spoor van rock-exces in zijn instrumentale vocabulaire. Een gitarist die de stilte laat klinken, wonderbaarlijk.

Het geluid van This Leo Sunrise is in grote lijnen dezelfde gebleven, maar toch zijn er onmiskenbaar nieuwe elementen te horen. Verrassend is bijvoorbeeld de aangename shuffle van Serpent Saint. Zo lichtvoetig heeft de band nog nooit geklonken. Een ander element is het pop-element. De muziek van This Leo Sunrise zal nooit ‘popmuziek’ worden, maar toch. Een lied als Tell it it like it is is in essentie een popliedje. In ieder geval zou ik het graag op de radio willen horen.

Het lied Sky Rocket zou in een ideale wereld ook op Sky Radio voorbij kunnen komen. Eerst Rocket Man van Elton John, en dan dit nummer. Wie weet gebeurt het ooit nog eens. Sky Rocket, het meest spookachtige nummer op Spoken. En tegelijkertijd ook het meest romantische.  Het lied heeft een stuwende dynamiek die werkelijk meeslepend is te noemen. De finale van het lied brengt mij een gevoel van verstilde extase.  Sky Rocket is mijn favoriete nummer op de plaat. En Sprouts komt daar zeer dicht bij in de buurt.

Ga ook eens op een avontuurlijke en luisterrijke spokenjacht. Vanaf 12 december (12-12-12) is Spoken verkrijgbaar op 180 gram vinyl. Als u nieuwsgierig bent geworden, verwijs ik u graag naar de website van This Leo Sunrise: www.thisleosunrise.com

 

Het Jaar van de Zombie

Time heeft ‘de demonstrant’ uitgeroepen als persoon van het jaar 2011. Een interessante keuze waar veel voor te zeggen is. Van het Tahrirplein in Caïro tot het Beursplein in Amsterdam, in 2011 was het bijna onmogelijk de leuzen roepende medemens te ontwijken. Toch was 2011 vooral het jaar van een ander fenomeen, de definitieve doorbraak van de zombie-cultus in de massacultuur. 2011 was het jaar waarin de zogenaamde ‘zombie walks’ zeer populair werden. Duizenden veelal volwassen mensen, besmeurd met nepbloed, en doodse grimassen trekkend, liepen en masse, in een soort macabere trance, door de straten van menig Westerse stad. Ook in Amsterdam vonden  eerder dit jaar zombie-optochten plaats. De optocht die dit jaar het meest in het oog sprong, was echter die in Mexico Stad. Maar liefst 9860 levende doden namen daar deel aan de optocht, een Guinness-record.

De meeste deelnemers zien het meedoen vooral als een lolletje, zoals 2011 ook het jaar was van menig gehypt lolletje, maar toch is er ook een onderliggende serieuze symboliek. Zoals ook het carnaval een symbolische functie heeft van het op de hak nemen van  maatschappelijke tegenstellingen en taboes, kenmerkt de  zombie-subcultuur zich door een, zij het ludiek, maar onmiskenbaar sterk anti-autoritair sentiment. Daarnaast denk ik dat mensen in toenemende mate gewaar worden dat het leven in een consumptiemaatschappij verrassend veel weg heeft van een gezombificeerde maatschappij. Zijn wij niet zombies als we ‘s-ochtends vroeg massaal in de file staan om naar het werk te gaan? Als we hutje mutje achter elkaar aan sjokken in warenhuizen als het weer kerst wordt?  Zombies zijn als het ware ‘geprogrammeerd’ om mensenvlees te consumeren.  Hersenloos. Geen reflectie. Zijn wij in zekere zin ook geen zombies geworden, geprogrammeerd om te consumeren? Wellicht een interessant gespreksonderwerp tijdens het kerstdiner in de donkere dagen van het Jaar van de Zombie.

http://www.youtube.com/watch?v=deV-HRO1sS8

Lof voor Lulu en Lou

We schrijven 1973. Een nieuwe plaat van Lou Reed komt uit. Berlin. De eerste recensies waren allesbehalve lovend. Sterker nog, de plaat werd door sommige recensenten bijkans bij het oud vuil gezet. Een citaat uit de recensie in Rolling Stone: “There are certain records that are so patently offensive that one wishes to take some kind of physical vengeance on the artists that perpetrate them. Reed’s only excuse for this kind of performance … can only be that this was his last shot at a once -promising career.” Lou Reed zou na Berlin nog vele platen maken, de ene beter dan de andere, maar zijn carrière was allesbehalve besloten met Berlin zoals de recensie suggereerde. Ik sta niet alleen in mijn oordeel dat Berlin een van de beste platen is van Reed, een van de beste platen van de jaren’70, een inspiratiebron voor menig muzikant, een klassieker.

Terug naar 2011. Lou Reed brengt een nieuwe plaat uit. Een collaboratie met Metallica. De plaat heet Lulu. En de geschiedenis lijkt zich te herhalen. Het recensentendom is vrijwel eensgezind in hun vernietigende oordeel: Lulu is lachwekkend, humorloos, beschamend, lelijk, oppervlakkig, een ijdel hobbyproject van arrogante oude knarren, een rampzalige combinatie van botsende stijlen, een plaat die thuis hoort in het canon van spectaculaire muzikale flops.

Recensent Jan Vollaard van de NRC maakt het al helemaal bont: “Lulu verdient een plaats in het Guinness Book of Records als het slechtste rockalbum ooit.” Tja. Daar gaat Vollaard al gelijk de mist van in. Want Lulu is geen rockalbum.  Is Lulu een plaat in de traditie van klassieke rockalbums als Exile on Main Street, Led Zeppelin IV of voor mijn part de debuutplaat van Van Halen? Neen. Als Vollaard zich echt zou hebben ingespannen om Lulu te doorgronden, had hij toch tot de conclusie moeten komen dat Lulu geen exercitie is in spierballenrock of metal machine music, ook al verzorgt de ultieme metalband Metallica  de muzikale omlijsting.

Een plaat als Reed’s eigen Berlin is mijns inziens een veel beter referentiepunt, een album die ik ook niet zou karakteriseren als ‘rock’. Lou Reed kan zeker rocken als het nodig is, maar zijn insteek is vaak een andere. Reed is een verteller van korte verhalen gemaskeerd als liedjes. Berlin is in zekere zin meer een muzikale novelle dan een rockalbum. Met Lulu tracht hij eveneens een verhaal te vertellen. Deze keer betreft het echter niet een verhaal van eigen hand, maar een interpretatie van de toneelstukken van Frank Wedekind over de danseres Lulu en haar sexuele escapades, waarbij Wedekind niet schuwde de donkere kanten van sexualiteit over het voetlicht te brengen. Reed neemt als Lulu ook bepaald geen blad voor de mond. Luisteren naar Lulu is als het lezen van een decadente roman ten tijde van het fin de siècle. Het is niet voor iedereen, dat is zeker. De obsessie met geweld, de aanbidding van het irrationele, de perversiteit, de verwording, de alom aanwezige dood. Je houdt ervan, of je rent walgend de kamer uit. De redactie van Crepuscult lust er echter wel pap van!

Waarmee ik overigens niet de indruk wel wekken dat Lulu een en al grand guignol exces is. Lulu gaat ook over wanhoop, frustratie, angst. Het album is vol van ‘dread’. Een track heet dan ook toepasselijk Misstress Dread. Deze duistere spanning wordt voortreffelijk vastgehouden door Lou Reed en de mannen van Metallica tot aan het laatste nummer, Junior Dad, het moment dat de spanning wegzakt en zowaar een ‘state of grace’ wordt bezongen in een verrassend weelderig muzikaal warm bad.

Lulu is dus net zo goed een spoken words-album als een rockplaat.  Niet een plaat die je wil opzetten om te headbangen. Metallica schroeft zo nu en dan vertrouwd het volume en het tempo op, maar nimmer heb je het gevoel te luisteren naar metalmuziek. Gitaarsolo’s zijn nauwelijks te horen. Metallica stelt zich nadrukkelijk bescheiden op als begeleidingsband van Lou Reed. Iets wat fans van Metallica allicht moeilijk kunnen behappen. En menige recensent die geen kaas kan maken van deze ongebruikelijke muzikale kruisbestuiving. Het bevreemdt me dat niet meer mensen enthousiast worden van het horen van de roestige stem van Reed tegen een achtergrond van metalige klanken. Wat in mijn oren klinkt als een verrassende opwindende en fascinerende muzikale onderneming van gearriveerde muzikanten die hun nek durven uit te steken. Maar oordeelt u zelf! Listen without prejudice, om George Michael maar eens aan te halen. Echt, Lulu is niet de slechtste plaat ooit. Neem dat toch maar van mij aan. Ik luister er juist met veel plezier naar, hoe gek dat ook klinkt. U ook?

 

‘Ambtenaar mag weigeren heterosexuelen te trouwen’

Stel je een andere wereld voor,  een schijnbaar beschaafd land dat verdacht veel op de onze lijkt, Nederlandia, waarin een minister zonder blikken of blozen zou kunnen verklaren dat een ambtenaar van de burgerlijke stand het recht heeft de taak van het sluiten van een huwelijk tussen twee heterosexuelen te weigeren.  Uiteraard uit respect voor de private religieuze overtuigingen van de homosexuele ambtenaren in kwestie. De minister Marja Verbijstervelt hierover: “Dat vind ik eigenlijk gewoon wel passen bij Nederlandia, die tolerantie en ruimte voor pluriformiteit.” Ruimte voor pluriformiteit en tolerantie, prachtig. Ten slotte mag ook binnen de tolerante overheid,  het geluid van heterofobie gehoord  en gerespecteerd worden!

In Nederlandia is toevallig ook een Volkspartij voor Vrijheid en Democratie een coalitiepartner. De premier van VVD-huize besluit zijn minister terug te fluiten. Foei, Marja! Eind goed al goed…

Stel je voor…

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/2443099/2011/06/08/Ambtenaar-mag-weigeren-homo-s-te-trouwen.dhtml